LCvV zoekt een plaatsvervangend voorzitter en een commissielid

De Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV) is bemiddelaar en scheidsrechter bij meningsverschillen tussen cliëntenraden en zorgaanbieders op basis van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. De LCvV is onafhankelijk en onpartijdig ten opzichte van zorginstellingen en cliëntenraden. De commissie is zorgbreed ingesteld en wordt in stand gehouden door de brancheorganisaties ActiZ, NVZ, VGN en GGZ Nederland en de cliëntenorganisaties
LSR, LOC en KansPlus/VraagRaak.
Vanwege het aflopen van de zittingstermijn van de huidige voorzitter en een van de commissieleden is de LCvV per 1 januari 2020 op zoek naar een plaatsvervangend voorzitter en een commissielid.

Lees de flyer voor meer informatie.

LCvV-advertentie-2019-06

2020 overgangsjaar voor de Wet zorg en dwang

Minister De Jonge (VWS) wil geen uitstel van de invoering van de Wet zorg en dwang. De wet treedt op 1 januari 2020 in werking. Wel is het eerste jaar van de Wzd een overgangsjaar.

Acht organisaties: KansPlus, Ieder(in), Alzheimer Nederland, LSR, KBO-PCOB, LFB, LOC Waardevolle zorg en Patiëntenfederatie Nederland) pleitten voor het wél invoeren van de nieuwe wet, omdat uitstel niet in het belang is van hun achterban. Dit deden zij o.a. in een brief. Zie hiervoor in dit bericht op de KansPlus website.

Andere organisaties, zoals ActiZ, hebben gepleit voor uitstel. VGN en NVAVG hebben de minister gevraagd om 2020 te benutten als overgangsjaar. Zij maken zich zorgen over de uitvoerbaarheid en vrezen extra bureaucratische rompslomp.

Op 7 juni schrijft Minister de Jonge in een brief dat 2020 gebruikt zal worden om samen met betrokken partijen te werken aan een goede implementatie van de Wzd.

Nieuwe Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ) door Eerste Kamer aanvaard

Dinsdag 21 mei 2019 was een gedenkwaardige dag voor cliënten en hun wettelijk vertegenwoordigers in de zorgsector. De Eerste Kamer “aanvaarde” (zoals de voorzitter dat noemde) het wetsvoorstel WMCZ 2018 van de Regering. Een half jaar na het moment van aanvaarding door de Tweede Kamer. Hierdoor zal na 23 jaar de huidige WMCZ gaan vervangen worden. 18 jaar geleden was het al de bedoeling – na een eerste evaluatie – dat de wet vervangen moest worden, maar verschillende keren sneuvelden wetsontwerpen.

Maar nu is het zover. Hierdoor krijgen cliënten en hun wettelijk vertegenwoordigers cliëntenraden met aanzienlijk sterkere bevoegdheden (bijvoorbeeld instemmingsrecht bij de belangrijkste zaken), dienen er lokale cliëntenraden te komen als de cliënten of hun wettelijk vertegenwoordigers dat uitspreken, krijgen cliëntenraden recht op onafhankelijke ondersteuning, een harder recht op faciliteiten of juridische ondersteuning, etc. Ook dienen de zorgorganisaties aanvullend op de zorgplannen directe inspraak te gaan organiseren over de directe zorg van cliënten. Cliëntenraden worden verplicht met hun achterban te gaan communiceren. Al met al staat er veel op de schop.

Het was nog spannend, want de kans was  groot dat de Eerste Kamer na de schriftelijke antwoorden van Minister Bruins van VWS een nieuwe schriftelijke ronde zou inlassen of een uitgebreide plenaire behandeling zou willen met discussies in twee termijnen met de Minister. Dit zou tot gevolg hebben dat de afhandeling door de nieuwe Eerste Kamer had moeten gebeuren. Voorzitter KansPlus, Pouwel van de Siepkamp, pleitte er op 9 mei jl. in een vlammend betoog daarom voor hoe dan ook zelf nog het wetsontwerp af te handelen (zie bijgaande brief). Resultaat was dat de Eerste Kamer geen schriftelijke ronde meer inlaste en ook geen plenaire behandeling en het  wetsontwerp 21 mei als hamerstuk afdeed.

Onze sector kan zich nu gaan voorbereiding op de invoering. Verwacht wordt dat dat voorjaar 2020 zal zijn. De Minister is nog bezig met een uitvoeringsbesluit over de vraag welke type voorzieningen onder de wet gaan vallen en welke precies niet (bijvoorbeeld justitiële instellingen). Dat besluit moet – na een tot 25 mei lopende internetconsultatie aan de hand van een ambtelijk ontwerp binnenkort aan de Regering worden voorgelegd door de Minister. (KansPlus heeft al gereageerd hierop. Vervolgens gaat het besluit nog naar de Raad van State, Tweede Kamer en Eerste Kamer. Maar dat zal zeker einde dit jaar afgehandeld zijn. De voorbereiding van de invoering is eigenlijk al begonnen. KansPlus, LSR, NCZ en VGN zullen nu samen een model medezeggenschapsregeling gaan maken als handreiking naar de sector. Hetzelfde geldt voor de kosten, scholing en ondersteuning. Eind 2018 organiseert KansPlus met LSR en LFB weer een congres in Lunteren en zal VWS een congres organiseren over de directe inspraak. De voorbereidingen van dit alles zijn direct na de aanvaarding door de Eerste Kamer gestart.

Het lijkt er op dat de zorgaanbieder en cliëntenraden op dit moment nog niet zoveel kunnen doen. Dat is voor dit moment inderdaad wel zo, maar wij verwachten dat de modelregelingen in het najaar gereed zijn en KansPlus zal in de loop van de tijd de nodige informatie geven op basis waarvan al nagedacht kan worden wat de cliëntenraden zelf willen wat de invulling van de wet betreft. Dat hoeft niet afhankelijk te zijn van de formele ingangsdatum van de nieuwe wet.

brief WMCZ aan EK 9 mei 2019 Reactie KansPlus Besluit WMCZ 2018-internetconsultatie

Reactie KansPlus Besluit WMCZ 2018-internetconsultatie

 

Jaarverslag LCvV

De Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV) is bemiddelaar en scheidsrechter bij
meningsverschillen tussen cliëntenraden en zorgaanbieders over de uitvoering van de Wet
medezeggenschap cliënten zorginstellingen.

Op www.vertrouwenslieden.nl is het jaarverslag 2018 van de Commissie te lezen.

Nieuw: hulpmiddel voor sterke medezeggenschap

Er is een nieuw hulpmiddel voor cliëntenraden. Het hulpmiddel heet Hulpmiddel voor sterke medezeggenschap. Met het hulpmiddel kunnen cliëntenraden aan de slag om de medezeggenschap te versterken.

Het afgelopen jaar werkten KansPlus en het LSR vanuit de Kwaliteitsagenda Gehandicaptenzorg aan een project. Het project ging over cliëntenraden en familieverenigingen. En de vraag hoe zij meer invloed kunnen hebben op de keuzes van de zorgaanbieder. Dat is belangrijk voor een goede kwaliteit van de zorg. Het hulpmiddel voor sterke medezeggenschap is het resultaat van dit project.

Hulpmiddel voor sterke medezeggenschap

Met het hulpmiddel kan de cliëntenraad zelf aan de slag. Bij voorkeur samen met de bestuurder of manager. De cliëntenraad kijkt naar drie onderdelen van het werk:

  • Hoe werkt de cliëntenraad zelf aan de medezeggenschap?
  • Hoe loopt de samenwerking met de bestuurder of manager?
  • En hoe loopt het contact met de achterban?

De cliëntenraad bespreekt wat goed gaat en wat beter kan. Van de belangrijkste verbeterpunten maakt de cliëntenraad een actieplan. Met het actieplan kan de cliëntenraad aan de slag om de medezeggenschap te versterken.

Oefenen

Met acht cliëntenraden en twee familieverenigingen is geoefend met deze manier van werken. Met de ervaringen van het oefenen is het hulpmiddel gemaakt. In het hulpmiddel kun je ook mooie voorbeelden lezen van waar deze cliëntenraden aan hebben gewerkt.

Zelf aan de slag?

Willen jullie zelf aan de slag met het versterken van de medezeggenschap? Dat kan! Het hulpmiddel bestaat in drie versies.

  • Eén voor cliëntenraden in makkelijke taal
  • Eén voor cliënten- en verwantenraden
  • Eén voor familieverenigingen en familieverbanden.

Het hulpmiddel is gratis te downloaden via: https://www.meepraten.net/themas/Hulpmiddelen
Daar vind je ook de werkvormen die bij het hulpmiddel horen.

 

 

Update Wmcz 2018: minister stuurt memorie van antwoord naar Eerste Kamer

Op 15 januari vond het voorbereidend onderzoek over de Wmcz 2018 in de Eerste Kamercommissie VWS plaats. In het voorlopig verslag stellen de Kamerleden nog een flink aantal vragen. De minister heeft eerder in een brief laten dat hij voor 1 mei met een memorie van antwoord komt.

Op 26 april 2019 heeft de Eerste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de memorie van antwoord ontvangen. Op 14 mei 2019 zal de nadere procedure worden besproken. Dan zal worden bepaald hoe de verdere voorbereiding zal verlopen en wanneer de plenaire behandeling kan plaatsvinden.

Internetconsultatie over reikwijdte Wmcz 2018

Minister Bruins van VWS heeft een algemene maatregel van bestuur (amvb) aangekondigd bij het wetsvoorstel Wmcz 2018. Het besluit gaat over welke instellingen geen cliëntenraad hoeven in te stellen of pas bij het verlenen van zorg door meer dan 25 personen. Het besluit is in concept via een internetconsultatie voorgelegd waarop voor 23 mei 2019 gereageerd kan worden.

Het wetsvoorstel Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz 2018) heeft als doel de positie van cliënten in de zorg te versterken en goed bestuur te bevorderen. Met het Besluit Wmcz 2018 wordt een aantal instellingen uitgezonderd van de verplichting een cliëntenraad te hebben. Ook geldt dat voor een aantal instellingen – met name in de eerstelijnszorg – een verhoogde drempel van meer dan 25 (i.p.v. meer dan 10) personen die zorg verlenen gelden voor het instellen van een cliëntenraad.

Het besluit regelt:

  1. Welke instellingen niet onder het wetsvoorstel gaan vallen. Deze instellingen hoeven geen cliëntenraad in te stellen.
  2. Welke instellingen pas een cliëntenraad in hoeven te stellen als ze met meer dan 25 personen zorg verlenen.

Het uitgangspunt van het wetsvoorstel Wmcz 2018 is dat een zorginstelling een cliëntenraad moet instellen bij meer dan tien zorgverleners (25 bij eerstelijnszorg). Het wetsvoorstel regelt dat bij amvb wordt bepaald op welke vormen van zorg of categorieën van instellingen deze wet niet van toepassing is. Ook maakt het besluit het mogelijk rekening te houden met de administratieve lasten in relatie tot het type zorg en daarmee een verlaging van de regeldruk.

Iedereen kan tot 23 mei 2019 reageren op het besluit via een internetconsultatie.

Het volledige ambtelijk concept voor internetconsultatie kunt u hier lezen: Amvb wmcz 2018 ambtelijk concept voor internetconsultatie.

 

Behandeling Wmcz 2018 in Eerste Kamer vertraagd

De Eerste Kamercommissie voor VWS heeft op 29 januari het voorlopig verslag uitgebracht van het voorbereidend onderzoek over de Wmcz 2018 wat op 15 januari plaatsvond. In dit verslag stellen de Kamerleden nog een flink aantal vragen. De minister is nu weer aan zet.

Het voorlopig verslag bevat twaalf pagina’s waarin de opmerkingen en vragen van de fracties weergegeven zijn.  De fracties zijn overwegend positief over de versterking van medezeggenschap via de Wmcz 2018. Wel zijn er nog verschillende vragen over de interpretatie van het conceptwetsvoorstel.

Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen:

  • Instellen cliëntenraad bij minimaal 10 ‘natuurlijke personen’die zorg verlenen. Onduidelijk is wie daarmee met bedoeld worden. Dit vinden sommige fracties van belang omdat het van grote invloed is op kleine zorginstellingen. Tevens vreest toenemende bureaucratisering en vraagt men zich af of de cliëntenraad geschikt is voor alle vormen van zorg.
  • Het wetsvoorstel voorziet niet in vergoeding van kosten voor juridische bijstand in geval een geschil dat bij de commissie van vertrouwenslieden wordt gelegd. Een groot aantal partijen zien hierin een ontmoediging voor de cliëntenraad om een geschil voor te leggen en willen dit anders zien.
  • Ook wordt de vraag gesteld of één landelijke vertrouwenscommissie niet wenselijker is dan het toestaan van een eigen commissie per zorginstelling.
  •  verschillende fracties wijzen op het feit dat mezeggenschap in verschillende sectoren zoals onderwijs, woningbouw en zorg verschillend is. Fracties stellen vragen over het waarom van deze verschillen. Een belangrijk verschil is bijvoorbeeld dat de Wmcz 2018 niet voorziet in instemmingsrecht bij fusie waar dat in andere sectoren wel het geval is.

Aanvankelijk zou de minister van VWS voor 1 maart antwoorden, maar hij heeft via een brief aan de Eerste Kamer laten weten dat hij voor 1 mei komt met zijn memorie van antwoord.

Keuze in dagbesteding?

In 2017 en 2018 hebben Ieder(in), het LSR en KansPlus kwalitatief onderzoek gedaan naar de ervaringen bij de zoektocht naar passende Wlz-dagbesteding gebaseerd om ruim 100 ervaringen van cliënten en familieleden van mensen met een beperking. Het onderzoek is gebaseerd op interviews en focusbijeenkomsten met ruim 100 (naasten van) mensen die vanaf 2015 te maken kregen met nieuwe of andere dagbesteding. Aanleiding was een eerder onderzoek naar de wegen die mensen bewandelen om passende zorg gerealiseerd te krijgen. Dat onderzoek vond plaats in het kader van de Vernieuwingsagenda ‘Waardig leven met zorg’ van 26 februari 2016,  en is op 1 april 2017 naar de Tweede Kamer gestuurd. In het verlengde van bovengenoemd onderzoek is in de Kwaliteitsagenda gehandicaptenzorg ‘Samen Sterk voor kwaliteit’ een nader onderzoek naar deze cliëntroutes opgenomen, nu toegespitst op het maken van keuzes voor dagbesteding, omdat in het eerste onderzoek naar voren was gekomen dat persoonlijke keuzes voor dagbesteding sterk onder druk staan. Veel mensen benoemden dat zij gedwongen werden voor andere dagbesteding te kiezen.

Verandering: opgelegd of vrijwillig?
Opmerkelijk is dat meer dan de helft van de geïnterviewden genoodzaakt was van dagbesteding te veranderen door wijzigingen in het aanbod van de zorgaanbieder. Sluiting van voorzieningen, reorganisaties, vervoerskostenbudget en decentralisaties vormden veelal de achtergrond.

Het onderzoek laat ook zien dat zorgaanbieders verschillende criteria hanteren voor de maximale afstand en de vergoeding voor ‘woon-dagbestedingsverkeer’.

De decentralisaties in de wetgeving zijn ook vaak een achterliggende oorzaak geweest voor de verandering van dagbesteding. Vaak had dat te maken met verandering van populatie en met een grotere groep of minder begeleiding tot gevolg, het zogenaamde Wmo-weglekeffect. Mensen met een indicatie voor Zorg met verblijf die wél zelf de keuze maakten voor andere dagbesteding (intern of extern) hadden daar verschillende redenen voor, zoals: aanbreken van een nieuwe levensfase (transitie school-werk) verhuizing persoonlijke groei en de behoefte aan iets nieuws. Doorgaans nam deze groep zelf het initiatief om op zoek te gaan en kreeg daarbij medewerking en steun van de betrokken zorgorganisatie(s). De meer dan 50% van de geïnterviewden die verplicht van dagbesteding zijn veranderd als gevolg van een reorganisatie, heeft dit vaak ervaren als een voldongen feit. Er was dan geen sprake van keuze of meedenken over een nieuwe plek. Bij een groot aantal mensen was zonder overleg met hen de nieuwe dagbesteding al ingevuld door de zorgaanbieder.

Belemmeringen
Het blijkt soms een hele uitdaging te zijn om dagbesteding te vinden die aansluit bij persoonlijke interesses, mogelijkheden en perspectieven. Mensen kunnen verschillende belemmeringen tegenkomen. Een greep: kleinschaliger initiatieven vallen af als er geen bereidheid is bij de zorgaanbieder om zorg persoonsvolgend ‘buiten de deur’ te financieren bijvoorbeeld via onderaannemerschap. Soms wordt onjuiste informatie verstrekt of druk uitgeoefend om de cliënt te behouden voor de eigen dagbesteding. Het komt voor dat mensen buiten de boot vallen doordat selectie plaatsvindt. Voor mensen met een intensieve zorgvraag is het aanbod -zelfs in de grote regio- vaak zeer beperkt

Informatie en ondersteuning in de praktijk
Circa 15% van de geïnterviewden vertelde goed geïnformeerd te zijn door zijn zorgaanbieder of school. Meer dan de helft van de geïnterviewden is of voelt zich niet volledig geïnformeerd. Soms was er sprake van alleen een mededeling en voldongen feit, in andere situaties was alleen informatie beschikbaar over alternatieven binnen de eigen organisatie. Iets meer dan een kwart van alle geïnterviewden is zelf actief op zoek gegaan naar informatie of had de kennis al in huis door hun beroep. Uit het onderzoek blijkt dat er grote verschillen zijn in de ondersteuning die mensen aangeboden krijgen. Slechts 16% van de geïnterviewden heeft gebruik gemaakt van onafhankelijke cliëntenondersteuning. Meer dan 50% van de respondenten was zelfs niet bekend met de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntenondersteuning. Uit de interviews blijkt dat ook medewerkers van zorgorganisaties vaak niet bekend zijn met onafhankelijke cliëntenondersteuning.

In de situaties van opgelegde verandering was nog minder sprake van ondersteuning. Bij schoolverlaters zien we een ander beeld: zo’n 70% heeft veel gehad aan de ondersteuning vanuit school. De meeste leerlingen en ouders gingen (daarnaast) ook zelf actief op zoek. Maar ook bij deze groep is onafhankelijke cliëntenondersteuning vaak niet bekend of laat de toegang ertoe te wensen over. Juist in deze transitiefase waarin veel dingen veranderen, is deze vorm van ondersteuning (levensbreed en levenslang) belangrijk en wordt node gemist.

U vindt hier het gehele onderzoek, inclusief een makkelijk lezen versie.